Soms is een stap terug de beste zorg

“Dat interesseert me niet.”

Dat zei een jonge moeder tegen me op het consultatiebureau. De ouders van een 4-jarige en een baby van twaalf maanden waren me vlak daarvoor bijna ontsnapt. Omdat het team van het consultatiebureau volledig nieuw is, vinden ze het nog lastig om ouders warm te maken voor een bezoekje een deurtje verder. Het deurtje waar ík dus achter zit. Lekker laagdrempelig, zou je denken. Maar toch rennen sommige ouders juist heel hard weg.

En laat dat nou precies de ouders zijn die, in mijn ogen, juist enorm gebaat zijn bij zo’n gratis consult. Ouders die zelf al jaren niet bij de tandarts zijn geweest. Ouders van wie ik de mondgeur al ruik als ze voorbijlopen. Ouders die hun kinderen in derde- of vierdehands kleding moeten steken: rompertjes die ooit stralend wit waren, gekocht door kersverse, kapitaalkrachtige ouders, maar inmiddels geelgrijs zijn geworden na vele rondes in andere gezinnen. Ouders die het állerbeste willen voor hun kinderen, maar voor wie alles net wat harder werken is. Gewoon omdat de wereld nu eenmaal oneerlijk verdeeld is. Iets met vinkjes…

Goed. Met mijn allercharmantste glimlach plukte ik deze ouders nog net op tijd van de gang, vlak voordat hun 4-jarige al bijna buiten stond. Braaf liep het meisje mee en ging stilletjes op de stoel zitten. De baby werd op de tafel gezet. Vader moest eraan geloven nadat ik hem drie keer vriendelijk een stoel had aangeboden, en moeder bleef staan. Alle vier trokken ze een grimas en keken me niet aan.

“Die kleine heeft maar twee tanden, hoor. Dus…”

Ik, enthousiast: “Wauw, twee tanden! Wat leuk. Ben je ze al aan het poetsen?”

Vader keek verschrikt naar zijn vrouw en zij mompelde iets onverstaanbaars. Ik vroeg of ze zelf misschien vragen hadden. Nee. Of ik tips mocht geven over tandenpoetsen. Nee. De sfeer werd stroef. Ik liet een stilte vallen.

“Goed… geen vragen over tandenpoetsen. Ik zie dat ze een speentje heeft. Heb je daar misschien vragen over?”

Nee.

Ik aarzelde. “Mag ik vragen of het een ronde of platte speen is?”

Een ronde.

“Ah! Weet je toevallig wat het verschil is tussen die twee? Zal ik daar iets over vertellen?”

En toen zei ze het.

“Het interesseert me niet.”

Ik stond met de mond vol tanden.
“Eh… oh… euh… goh… dus het interesseert je niet? Je wil niet weten wat de gevolgen zijn?”

“Nee. Dat weet ik. Ik heb het opgezocht. Het interesseert me niet.”

Vader vulde zachtjes aan dat ze de platte speen heus hadden geprobeerd, maar dat het niet lukte.

“Ah, dus eigenlijk is het probleem dat ze hem niet accepteerde? Hoe oud is ze?”

Moeder, starend uit het raam: “Eén.”

Ik reageerde nog enthousiast: “Dan is het juist het perfecte moment om…”
Mijn stem stierf weg. “Oja… het interesseerde je niet.”

Ik praatte tegen een muur.
“Laat maar. Weet je… ga lekker naar huis. Als je geen vragen hebt, heeft het geen zin om een preek te houden.”

Toen gebeurde er iets opmerkelijks: ze keken me ineens allebei aan. Eerst elkaar, toen mij weer.
Ik herhaalde het: “Ga lekker naar huis. Echt.”

En ze gingen.

Ik bleef verbaasd achter. Hoe kun je nou géén interesse hebben in de mond van je kindje?

Thuis bleef het door mijn hoofd malen. Die week sprak ik een collega die in de VS een geweldige training had gevolgd over gedragsverandering. Over letten op verandertaal, luisteren naar wat er wel gezegd wordt. Een paar dagen later viel bij mij pas het kwartje.

Ze wás wel geïnteresseerd. Hoe had ik dat zo kunnen missen?
Ze zei het zelf: “Ik heb het opgezocht.”

Ze had het opgezocht én geprobeerd.

Dus waarom ontweek ze me dan zo?

Waarschijnlijk voelde het voor haar als falen.
Dat de platte speen niet lukte.
Dat haar baby met één jaar nog maar twee tanden had.
Bang dat ik haar zou wijzen op nóg iets dat niet goed ging.

Misschien zat haar hoofd al vol:
Van een goedbedoelde jeugdarts.
Van een coach.
Van een doorverwijzing.
Van evaluaties over die coach.
Van hulpverleners die zich met van alles bemoeien.
Van afspraken waar ze van de ene naar de andere moet hollen.

Misschien was ik gewoon zorgverlener nummer zoveel, vanaf mijn eigen kleine eilandje, die iets wilden verbeteren. Terwijl het gezin vooral wilde:
rust.

Rust om zelf te ontdekken, zonder oordeel, zonder extra druk.

Soms moet je als zorgverlener geen stap naar voren doen, maar één stap terug. Even niet duwen. Even niet trekken.

Misschien had ik wel moeten zeggen:
“Wat goed dat je dit al hebt opgezocht. Jammer dat het niet lukte, maar komt wel goed. Ze is één en dus is die speen eigenlijk niet meer nodig. Weer een probleem minder.”

Soms is dat genoeg.
Soms is dát precies wat iemand nodig heeft.

Over de schrijver

  • Lieneke Steverink Jorna

    Lieneke is sinds 2001 werkzaam in de mondzorg en studeerde aan de HAN. In 2013 mocht ze de titel Mondhygienist van het Jaar dragen. Ze werkt in een aantal praktijken om patiënten te behandelen en om het preventieteam leiding te geven. Lieneke was de eerste mondhygiënist die internet en social media ging inzetten om mondgezondheid te promoten. Daarnaast komt ze veel de praktijk uit om vrijwillig kinderen actief op te zoeken die niet vanzelf naar de praktijk komen. Bijvoorbeeld tijdens Kidsfabriek, in de bibliotheek, bij de Zomerschool of bij de Jonge Gezinnenbeurs. Ze spreekt soms op symposia en congressen voor collega’s. Schrijven is een uit de hand gelopen hobby van haar. Lieneke wenst voor alle Nederlanders een gezonde mond en maakt zich hiervoor dagelijks hard.

    Meer over de schrijver

Is dit artikel behulpzaam?

Bedankt voor je feedback!

Leave a Reply